Branden van kalksteen (kalkpoeder)
Het branden van kalk was vroeger heel bekend. De kalk werd in de bouw gebruikt, maar ook voor andere doelen zoals het looien van leer en zelfs voor het afleggen van een dode.
Bij het bouwen van een kalkoven moet als eerste de plaats waar de oven komt te staan worden geharkt. Hierna wordt een lont klaargemaakt gemaakt van flambeu, dit is heel dun en fijn hout dat overblijft wanneer de yatu of kadushi is verdord, en een termietenhuis. Wanneer men klaar is, gaat men naar de mondi om hout te hakken. De meest gebruikte houtsoorten voor een kalkoven zijn de palu di Boneiru, palu di sia, palu di kuida en de stam van een volgroeide yatu.
Hierna wordt het hout rondom het lont geplaatst. Het hout moet goed worden gesneden om geen lucht door te laten. De vorm van de oven is net als het huis van een spin, en wanneer het is uitgebrand net als een bloem.
Hierna worden de stenen op het hout geplaatst. Men moet goed opletten hoe de stenen worden gestapeld. Als er teveel stenen zijn, is het vuur niet krachtig.
Er zijn twee steensoorten die niet geschikt zijn om een kalkoven mee te bouwen: piedra muhé, omdat het te zacht is; piedra hòmber is te hard. Wat ‘krastèn wordt genoemd, is de beste steensoort om kalk mee te maken.
Wanneer dit alles is gedaan, is het tijd om de oven aan te steken. Maar eerst moet een afdak van palu di maishi of met bladeren van de wayaká of de oliba worden gemaakt zodat de wind rondom de oven niet stevig is. De oven wordt bij het lont aangestoken, dus bovenaan in het midden. Het vuur verspreidt zich verder naar beneden.
De kalkoven werd in de middag aangestoken en men liet het de hele avond branden. Dit om te voorkomen dat iemand naar de oven kijkt en het dan niet meer goed brandt. Het was ook strikt verboden voor zwangeren vrouwen om in de buurt van de kalkoven te lopen. Als dit toch gebeurde, dan brandde de oven niet goed.
Je kunt meer hierover lezen in Boneiru di Antaño I p.39 van B. Antoin op archivoboneiru.com